07.18.07

Oldschool

Posted in Uncategorized at 2:00 pm by andreasenka

Dit is echt zó lang geleden.. vond ik op mn computer =) Toch blijf ik er een zwak voor hebben, vooral voor pathologie en fysiologie. Let’s refresh…

Spieren van schouders en rug
● Monnikskapspier (m. trapezius)
Oorsprong: Achterhoofdsbeen, doornuitsteeksels van de hals- en borstwervels.
Aanhechting: Buitenste uiteinde sleutelbeen, schoudertop en schouderbladsgraat.
Werking: Het bovenste deel trekt de schouderbladen omhoog, heft het sleutelbeen en draait het hoofd in tegengestelde richting; het onderste deel trekt de schouderbladen omlaag; het middendeel trekt de schouderbladen naar de wervelkolom.

● Deltaspier (m. deltoideus)
Oorsprong: schouderbladsgraat, schoudertop en buitenste uiteinde sleutelbeen.
Aanhechting: buitenkant opperarmbeen, ongeveer in het midden.
Werking: deel dat aan schouderbladsgraat ontspringt; draait de arm naar buiten, voert de arm aan en heft de arm achterwaarts. Deel dat aan schoudertop ontspringt; voert de arm af tot het horizontale vlak. Deel dat aan sleutelbeen ontspringt; draait de arm naar binnen, voert de arm aan en heft de arm voorwaarts.

● Brede rugspier (m. latissimus dorsi)
Oorsprong: doornuitsteeksels van de zes onderste borstwervels en lendewervels, de darmbeenkam en het lendepeesblad.
Aanhechting: de kam van de kleine opperarmbeenknobbel.
Werking: aanvoeren van de arm en trekt een geheven arm omlaag en naar achteren, trekt tevens schoudergordel omlaag en naar achteren.

● Ruggenstrekkers
Min of meer verticaal langs de wervelkolom verloopt een groot aantal spieren. Naarmate de spiervezels meer verticaal verlopen dienen ze voor het strekken van de wervelkolom, de min of meer schuin verlopende spieren helpen mee de wervelkolom te draaien.

Armspieren
● Tweehoofdige armspier (m. biceps)
Oorsprong: het lange hoofd ontspringt aan de bovenkant van de gewrichtskom van het schoudergewricht. Het korte hoofd ontspringt aan het ravebeksuitsteeksel van het schouderblad.
Aanhechting: spaakbeenknobbel en de fascie van de spieren van de onderarm.
Werking: lange hoofd: in het schoudergewricht; zwakke afvoerder (abductor) van de arm, in het ellebooggewricht; buigen en supineren van de onderarm.
Korte hoofd: in het schoudergewricht; voorwaarts heffen (adductie) van de bovenarm, in het ellebooggewricht; buigen en supineren van de onderarm. Beide hoofden buigen de arm in het ellebooggewricht en supineren de onderarm en hand.

● Driehoofdige armspier (m. triceps)
Oorsprong: het lange hoofd ontspringt aan het uitsteeksel van het schouderblad. Het binnenste hoofd: binnenachterkant van het opperarmbeen. Buitenste hoofd: buitenachterkant van het opperarmbeen.
Aanhechting: ellebooguitsteeksel.
Werking: het lange hoofd voert de arm aan (adductie) in het schoudergewricht, alle hoofden strekken de arm in het ellebooggewricht.

● Opperarm-spaakbeenspier (m. brachioradialis)
Oorsprong is aan het opperarmbeen. Buigen van de arm in het ellebooggewricht; afhankelijk van de
stand van de onderarm vanuit het ellebooggewricht helpt de spier mee met supinatie of met pronatie
van de onderarm en hand.

Leave a Comment